In het Belastingplan 2012 is de op 4 juni aangekondigde overgangsregeling voor de levensloopregeling bekendgemaakt. Wat zijn de gevolgen voor mensen die hieraan deelnemen?
In het belastingplan wordt aangekondigd dat de levensloopregeling met ingang van 1 januari 2012 wordt afgeschaft voor mensen die aan het einde van dit jaar (2011) geen saldo op hun levensloopregeling hebben staan. Voor de mensen die per ultimo 2011 wel saldo op hun levensloopregeling hebben staan, eindigt de levensloopregeling een jaar later op 1 januari 2013. Zij hebben dan de keus om het tegoed in één keer uit te laten keren, waarbij de opgebouwde levensloopverlofkorting fiscaal wordt verrekend. Het alternatief is overboeking van het levensloopsaldo naar het nieuwe vitaliteitssparen, ook als dat saldo meer dan het toegestane maximum van €20.000 voor vitaliteitssparen bedraagt.
Een belangrijk verschil tussen levensloop en het vitaliteitssparen is dat de laatste regeling niet mag worden gebruikt om eerder met pensioen te gaan. Vanaf 62 jaar geldt bij het vitaliteitssparen een opnamebeperking van €10.000 per jaar. Dat zal voor veel mensen onvoldoende zijn om eerder met pensioen te gaan, tenzij zij over voldoende vermogen beschikken. Voor de helft van de deelnemers aan de levensloopregeling was juist het doel eerder met pensioen te gaan. Die mogelijkheid was op het laatste moment bij de invoering van de levensloopregeling toegevoegd om iedereen, ook de sociale partners, akkoord te laten gaan met de afschaffing van vut en prepensioen. Het getuigt niet van veel respect om deze mogelijkheid dan zeven jaar later af te nemen. Werknemers worden als makke schapen door de overheidsherder in het nieuwe, maar minder comfortabele hok gedreven in tegenstelling tot eerder gemaakte afspraken. Blijkbaar heiligt het doel de middelen, maar het is verre van chic en draagt niet bij aan het beeld van een betrouwbare overheid.
Tot slot wordt er nog een uitzondering gemaakt voor mensen die voor 1 januari 2013 de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Voor hen blijft de levensloopregeling bestaan totdat zij de aow-gerechtigde leeftijd van dan nog 65 jaar hebben bereikt en het saldo niet wordt overgeboekt naar vitaliteitssparen. Is er dan nog een tegoed in de levensloopregeling, dan wordt dat saldo één dag voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd geacht te zijn uitgekeerd en ook in één keer in de belastingheffing betrokken. Het is dan waarschijnlijk verstandiger de levensloopregeling voordien te laten uitkeren of indien dat mogelijk is aan het pensioen toe te voegen. Deze groep mensen kan een flink saldo op de levensloopregeling hebben staan, omdat zij meer in de levensloop mochten storten dan het maximum van 12% van het jaarsalaris per jaar. Dat geldt voor mensen die na 1 januari 1950 en vóór 1 januari 1955 zijn geboren. Voor hen geldt het maximum van 210% van het jaarsalaris uit het voorgaande jaar. Wellicht is dat de reden dat zij er ongeschonden van afkomen, terwijl de andere deelnemers na invoering van het plan hun wonden kunnen likken en op zoek kunnen naar een alternatief om hun wensen te verwezenlijken.
Bron oa DFT
